In heel Nederland zetten bestuurders zich in om het vraagstuk rondom wonen, welzijn en zorg voor ouderen aan te pakken. Van bestuurders van welzijnsorganisaties en gemeenten tot bestuurders van zorginstellingen en woningcorporaties. Om hun harde werk te waarderen en om anderen te inspireren, lichten we graag een aantal mensen uit aan de hand van drie vragen. In deze editie: Margje Mahler, bestuurder van Sensire.
1. Wat is jouw persoonlijke missie?
“Ik ben al jaren geleden enorm geïnspireerd door de wijsheid, ervaring en daarmee óók relativeringskracht van ouderen. Het is best gek in onze samenleving dat we ons hele leven willen leren, kennis opdoen, ervaringen opdoen, en we steeds minder van die ervaringen gebruik maken als mensen eenmaal een bepaalde leeftijd bereiken. De waarde van ouderen in onze samenleving is gigantisch, wij hebben te leren weer meer die waarde in het licht te zetten en rekening te houden met de beperkingen, maar niet de beperking of de ziekte centraal te zetten. Dat geldt ook voor woonvormen. De waarde van samenleven is samen-leven. En dus niet op basis van ziekte alleen ergens anders moeten wonen. Voor een kleinere groep heel kwetsbare mensen blijft er natuurlijk wel die behoefte, daar zullen we ook in blijven voorzien. Bovendien wonen er steeds meer mensen alleen en zijn wij als mensen in de basis sociale wezens. Ik zet me daarom in om vanuit mijn verantwoordelijkheid als bestuurder van een zorgorganisatie juist naar dat samen-leven te kijken, samen - wonen te stimuleren maar dan meer in bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan een nieuwe wijkontwikkeling samen met woningcorporaties, gemeenten, ontwikkelaars en nieuwe concepten waarin ontmoeten en samenleven tussen generaties en mét elkaar centraal staat. Dat verrijkt ons allemaal! En… daarmee zorgen we ook meer voor elkaar, dat geeft voldoening, zingeving en behoudt regie voor iedereen meer.”
2. Kun je een project noemen waarbij je betrokken was en waar wonen, welzijn en zorg voor ouderen mooi samenkomen?
“Ik vind dat het niet om één persoon draait, dit soort projecten is al langer een idee van vaak een groepje mensen en ik mag daar een bepaalde periode aan bijdragen. En van elk traject leer je weer meer. Het eerste nieuwbouwproject waar ik bij betrokken werd toen ik nog psycholoog was, ging al uit van een gebouw waarin de helft ‘verpleeghuis’ was en de andere helft bestond uit huurwoningen voor bijvoorbeeld partners. Maar de scheiding was wel vrij stevig, er was weinig ‘samen’ en deze vorm gaf uitdagingen in de doorstroom. Een volgend traject richtte zich echt op kleinschalig wonen in een grootschalige omgeving. Daar heb ik geleerd dat er veel meer kan als je het als thuis benadert en dat mensen zich daar prettiger bij voelen. Weer een ander traject was een heel nieuw concept met een woonlandschap waar mensen zonder zorg konden komen wonen en ook als ze zorg nodig hadden onder hetzelfde dag konden blijven wonen. Super mooi in opzet, en ook hier gold dat je als je kwetsbaar was, verhuisde naar een studio met je bed in de woonkamer. Als je aan mensen vraagt of ze in zo’n studio willen wonen, wil niemand dat. Waarom bouwen we dat dan toch? Ik denk dat het traject waarin al die geleerde lessen mooi samen kwamen in Apeldoorn was, waar we een heel terrein opnieuw hebben ontwikkeld. Met hoogcomplexe zorg, met een woongebied, met ruimte voor revalidatie en voor andere concepten. Super leuk om te zien dat dat nu verder ingevuld wordt! En in Doetinchem gaan we met ook de lessen die daar weer geleerd zijn nu aan de slag om op het terrein van een oud verpleeghuis opnieuw te ontdekken wat de buurt nu nodig heeft voor de toekomst van wonen. Zorg kan daarbij komen en hebben we te organiseren maar is niet het allerbelangrijkste in het leven van mensen.”
3. Als je morgen minister van VRO of VWS zou worden, wat zou je dan doen?
“Als minister van VRO zou ik nog eens goed kijken of we rondom bouweisen en verhuurdersheffingen nu wel de bedoeling nastreven. Of dat we te risicomijdend zijn geworden en voor mensen hebben gedacht in plaats van met hen. En ik zou meer ruimte voor ontmoeten stimuleren en faciliteren. Als minister van VWS zou ik de solidariteit in ons gezondheidszorgstelstel opnieuw toetsen aan de werkelijkheid. Sneller leren van organisaties die de ruimte opzoeken om te vernieuwen. Ik zou ruimte houden en maken voor goede zorg voor de meest kwetsbaren, en ik zou stevig investeren in preventie en meer fundamenteel het gesprek op gang willen brengen over ‘moet alles wat kan’. Ik zou kortom, dat wat ik nu vanuit de aanjaagrol in de regio soms probeer, meer tot leven laten komen en de beweging (die er op heel veel plaatsen al is!) sneller mogelijk maken.”