In heel Nederland zetten bestuurders zich in om het vraagstuk rondom wonen, welzijn en zorg voor ouderen aan te pakken. Van bestuurders van welzijnsorganisaties en gemeenten tot bestuurders van zorginstellingen en woningcorporaties. Om hun harde werk te waarderen en om anderen te inspireren, lichten we graag een aantal mensen uit aan de hand van drie vragen. In deze editie: Stijn van Kreij, directeur en oprichter van Butterfly Effect.
1. Wat is jouw persoonlijke missie?
“Butterfly Effect is ontstaan vanuit de ambitie om de ontwikkeling van bruisende gemeenschappen te versnellen. Dit doen we vanuit de overtuiging dat sociale verbinding een essentiële factor is voor gezondheid en welbevinden. Ik vind het belangrijk dat iedereen in Nederland de mogelijkheid heeft om in een fijne gemeenschap te wonen. Een gemeenschap waar persoonlijke talenten en interesses tot hun recht komen en er oog is voor iedereen, óók wanneer bewoners kwetsbaar zijn en/of zorg nodig hebben.”
2. Kun je een project noemen waarbij je betrokken was en waar wonen, welzijn en zorg voor ouderen mooi samenkomen?
“In alle gemeenschappen waar buurtverbinders bij betrokken zijn, werken we op het snijvlak van wonen, zorg en welzijn doordat we generaties met elkaar verbinden. Gemeenschappen die eruit springen, zijn de zorglocaties Elisabeth en Theresia van Vughterstede in Vught. Hier zorgen buurtverbinders voor allerlei verbindingen en activiteiten, waardoor bewoners meer zingeving en woonplezier ervaren. Zo schaakt een van de buurtverbinders elke week met twee andere bewoners, waarvan de oudste 91 is. Ook nodigt hij zijn overbuurman in een rolstoel uit als toeschouwer tijdens jeu de boules.
Het zijn dit soort toevallige ontmoetingen die zorgen voor verbinding en plezier. We zien dat de reuring die ontstaat wanneer generaties met elkaar in contact komen, andere mensen inspireert om ook actiever te worden in de gemeenschap: het verlaagt de drempel om nieuwe initiatieven te ontplooien. En we zien dat de grote transitie in de zorg tastbaar en begrijpelijk wordt wanneer medewerkers in de praktijk merken wat de gemeenschap kan betekenen voor ‘hun’ cliënten en zij ervaring opdoen in het faciliteren van ontmoeting.”
3. Als je morgen minister van VRO of VWS zou worden, wat zou je dan doen?
“Ik zou ervoor zorgen dat beide departementen nog meer met elkaar gaan samenwerken. Hierdoor worden de beleidsbarrières tussen wonen en zorg doorbroken en wordt de samenwerking tussen woningcorporaties, ontwikkelaars en zorgorganisaties in beleid nog meer ondersteund.
Daarnaast zou ik vanuit VWS 5% van de budgetten in de WLZ die nu uitgegeven worden aan individuele zorg op basis van indicaties overhevelen naar collectieve financiering gericht op het versterken van gemeenschappen en informele zorgnetwerken. Dit zorgt ervoor dat zorgorganisaties de ruimte voelen om structureel te investeren in samenwerking met informele netwerken, zoals burgerinitiatieven en lokale gemeenschappen. Als we in de komende vijf jaar alle intramurale zorglocaties doorontwikkelen tot zorgzame gemeenschappen met een ontmoetingsfunctie voor de buurt, neemt de maatschappelijke waarde van deze locaties enorm toe.”
Meer informatie