- Vertaal het volkshuisvestingsprogramma naar het omgevingsplan: Leg op concrete locaties een woonbestemming of een maatschappelijke bestemming (zorg). Werk waar mogelijk met percentageregels voor gebieden, zoals dat al gebruikelijk is voor betaalbaarheid. Daarmee wordt de ambitie uit het volkshuisvestingsprogramma ruimtelijk geborgd.
- Kies bewust tussen woonbestemming en maatschappelijke bestemming: Bij geclusterd zorggeschikt wonen is het belangrijk om vooraf te bepalen of een initiatief beter past binnen een woonbestemming of een maatschappelijke bestemming. De keuze hangt af van de mate van zelfstandigheid en zorgintensiteit. Maak hierin een bewuste keuze, motiveer deze, en stem af met juristen en met de partijen die het complex straks gaan exploiteren.
- Borg via de anterieure overeenkomst de specifieke voorwaarden: Wanneer een initiatief niet (helemaal) binnen de geldende bestemming past, kan worden gekozen voor een vergunning om af te wijken van het omgevingsplan. Aan zo’n vergunning ligt vaak een anterieure overeenkomst ten grondslag. Daarin kunnen voorwaarden worden vastgelegd, bijvoorbeeld dat sprake moet zijn van een geclusterd zorggeschikt wooncomplex, met afspraken over doelgroep en zorg- en welzijnsaanbieder.
- · Zorg voor een goede beleidsbasis: Afspraken in een anterieure overeenkomst moeten een grondslag hebben in vastgesteld gemeentelijk beleid: de woonzorgvisie of het volkshuisvestingsprogramma. Zonder die basis blijft de overeenkomst kwetsbaar.
Planologisch verankeren en vergunnen
Het omgevingsplan en de anterieure overeenkomst zijn twee kanten van dezelfde medaille. Het omgevingsplan is het publiekrechtelijke kader waarmee de gemeente ruimtelijk vastlegt wat waar mag. De anterieure overeenkomst is de privaatrechtelijke afspraak die de gemeente en de initiatiefnemer vooraf maken over onder meer kostenverhaal, kwaliteit en uitvoering van het plan, vaak wanneer een initiatief (nog) afwijkt van het omgevingsplan. Samen geven zij richting en houvast aan een concreet project.
Voor de woonzorgopgave is dit de fase waarin de strategische ambities uit routekaart 1 en de grondposities uit routekaart 2 daadwerkelijk vertaald worden naar uitvoerbare projecten. De keuzes in deze routekaart bepalen of de ambitie ruimtelijk standhoudt op de lange termijn.